Medisch

Loopsheid / bronstigheid:

Loopsheid bij het vrouwtje. Een vrouwtje wordt meestal loops tussen begin februari en eind augustus. Er zijn echter vrouwtjes die al in december loops worden. Dit verschijnsel noemt met fotoperiodiciteit. Bij vrouwtjes die in de winter langer dan 12 uur in een verlichte omgeving zitten, wordt de loopsheid opgewekt.  Bij kippen zie je dit ook; een kip die in de winter langer dan 12 uur licht heeft, blijft ook doorgaan met eieren leggen. Maar goed, terug naar de fret. De loopsheid van het vrouwtje kun je aan de opgezwollen vulva, die een vorm aanneemt van een zogenaamd “koffieboontje”. Qua gedrag kan het vrouwtje ook veranderen. Ze kan prikkelbaarder worden, heeft behoefte om met voorwerpen of andere fretten te gaan slepen, veegt met haar vulva over allerlei obstakels en markeert haar territorium met urinedruppels.

Als een vrouwtje niet gedekt wordt, blijft ze het hele seizoen loops. De oestrogenen (vrouwelijke hormonen) in haar systeem blijven hoog waardoor het beenmerg onvoldoende belangrijke bloedcellen produceert. Dit noemt men beenmergdepressie. Hierdoor krijgt het vrouwtje amnesie (bloedarmoede) en er ontstaan allerlei bloedingen en ontstekingen. Uiteindelijk zal het vrouwtje sterven en dit kan al binnen 2 maanden gebeuren. Daarom is het noodzakelijk om het vrouwtje te laten castreren. Bij een castratie worden beide eierstokken compleet verwijderd. Het alleen behandelen van de eierstokken (steriliseren) heeft geen zin want dan blijft het vrouwtje loops en de oestrogenen hoog. Castratie kan bij een vrouwtje in principe al vanaf 7 maanden, maar het beste is gewoon te wachten totdat ze loops wordt.

Bronstigheid bij het mannetje. Het mannetje gaat sterker ruiken, produceert meer huidvet waardoor zijn vacht vetter wordt en verkleurt en zijn balletjes worden groter. Hij zal vaker gaan “mokken”. Qua gedrag gaat hij “vegen”, dus net als het vrouwtje gaat hij met zijn geslachtsopening over allerlei obstakels en laat een paar druppels urine achter. Verder is hij rusteloos en vertoont dekneigingen op alles wat los en vast zit. Aangezien het mannetje in deze toestand eigenlijk niet met andere fretten in 1 kooi gehouden kan worden, wordt aangeraden om hem dan te laten castreren. Mannetjes kunnen – afhankelijk van zijn lichamelijke ontwikkeling – tussen de 6 en 8 maanden gecastreerd worden. De geur kan na castratie met wel 90% afnemen.

Het kan voorkomen dat één of beide balletjes niet indalen. Dit noemt men monorchidie (1 bal) of cryptorchidie (beide balletjes). Het is belangrijk dat beide balletjes weggehaald worden, anders heeft castratie geen effect op de bronstigheid van het mannetje. Verder is de kans op een tumor bij een niet ingedaalde bal groot. Dit is mede vanwege de hogere temperatuur op de plaats waar de niet ingedaalde bal zit, die de cellen beïnvloedt en laat woekeren.