Gedrag fretten

Fretten zijn erg nieuwsgierig en opportunistisch ingesteld. Ze zullen niet aarzelen om alles te onderzoeken en uit te proberen. Staat er even een lade open? De fret zit erin. Heeft u even onbeheerd iets eetbaars laten liggen? De fret is ermee vandoor. Dacht u sneller te zijn dan de fret om de deur dicht te doen en hem de weg te blokkeren? Te laat, de fret is er al doorheen.

Fretten zijn ook behoorlijk slim. Kunnen ze niet direct op een salontafel springen, dan proberen ze via de bank, gordijnen of een andere omweg er wel op te komen. Lukt het ze eenmaal om keukenkastjes open te maken, dan zult u genoodzaakt zijn om kindersloten te halen. Planten op de grond? De fret zal u dankbaar zijn voor deze zandbak om in te graven. Laat fretten dan ook nooit los als u niet in de buurt bent. Niet alleen voor de veiligheid van uw huisraad, maar vooral voor de veiligheid van uw fretten. Ze zijn nl. een kei in het zich in de nesten werken.

Soms luisteren fretten, maar meestal zijn ze Oost-Indisch doof. Ze doen waar ze zelf zin in hebben en laten zich nergens toe dwingen. Gehoorzaamheidscursussen voor fretten zijn er dan ook niet. De enige concessie die ze willen doen is zich aanpassen aan uw ritme. U werkt overdag? Geen probleem, de fretten worden dan wel actief als u ’s avonds thuis komt.

Net zoals honden en katten, heeft ook elke fret een eigen karakter. Er zijn zelfs fretten die een “ochtendhumeur” hebben als ze net wakker worden. De een is eenkennig, de ander een allemansvriend. De een is brutaal en moedig, de ander wat terughoudend of introverter. Hun karakter heeft grotendeels te maken met hun opvoeding.

Fretten die te jong bij hun moeder worden weggehaald, hebben op latere leeftijd een grotere kans op een gedragstoornis. Het worden bijterts, angsthazen, zijn schuw, niet sociaal of zindelijk. Daarom is het van groot belang om de pups pas vanaf 8 of 9 weken te spenen. Tot die tijd leren ze de (sociale) vaardigheden en zindelijkheid van hun moeder. Daarna neemt u in de eerste periode wat betreft opvoeding een aantal taken van de moeder over. Bijvoorbeeld het bijtgedrag. Omstreeks die leeftijd is de tandenwisseling al in volle gang en kan dit onaangename gevoel ervoor zorgen dat de pup bijterig gaat worden. Als baby kreeg u waarschijnlijk een bijtring, een pup heeft deze niet en neemt dan maar genoegen met uw vingers.

Pups realiseren zich niet dat ze scherpe tandjes hebben en al snel door een mensenhuid heen kunnen bijten. Ons velletje is immers een stuk dunner en gevoeliger dan die van een fret. Leer de pup al meteen vanaf het begin dat hard bijten – ook al is het uit speelsheid – niet de bedoeling is. Bijt de pup te hard? Pak hem even in zijn nekvel, zeg “foei” (of iets anders) en zet de pup weer weg.

Een tik op zijn neus of anderszins gemep wordt afgeraden, daar de kans groot is dat de pup het vertrouwen in u verliest en schuw gaat worden. Een schuwe pup loopt ook vaak achteruit van u weg. Consequent zijn en heel veel liefde en aandacht is het motto. Voor mensen die nog geen ervaring hebben met fretten, adviseren wij om oudere fretten te nemen die meestal al goed opgevoed zijn. Dat kan een hoop teleurstelling voorkomen.